Nu V&D zelfs moeite heeft om de huur op te brengen, kun je niet anders dan constateren dat de overname van private-equity fondsen het warenhuisconcern meer kwaad dan goed heeft gedaan.
Fijn, denk je, als je ’s ochtends vroeg ergens langs een snelweg een La Place ziet opdoemen. Daar wil je stoppen. Prima koffie, goeie sappen, lekkere broodjes. De wegrestaurants van La Place zien er modern en fris uit, het is er zelfs best gezellig.
Hemel in de hel
De keten is onderdeel van V&D. En succesrijk. De expansie verloopt vlot: er zijn nu in totaal zo’n 250 La Place-restaurants, waarvan zelfs eentje in New York. Een deel zit in de warenhuizen. Alsof, gechargeerd gesteld, de hemel in de hel zit. Je vraagt je af hoe zoiets kan binnen één bedrijf.
Met die warenhuizen is het al decennia kommer en kwel. Talrijke restylingsoperaties – ook Jan des Bouvrie bemoeide zich ermee – hielpen niets. De winkels verkopen geen beroerde spullen, maar ze zijn onoverzichtelijk, kleurloos en nogal oubollig. Mensen kopen er nauwelijks.
Slikken of stikken
De nood is er nu echt aan de man. Werknemers moeten fors loon inleveren en de verhuurders van de panden waarin de V&D zit, worden onder zware druk gezet. De keten (met 63 vestigingen) wil een poos geen huur betalen en voor daarna een fikse korting. Slikken of stikken: als ze niet akkoord gaan, gaat V&D kopje onder.
Net als dat andere slechtlopende warenhuis, de HEMA, heeft V&D weinig baat gehad bij de wisselingen onder zijn aandeelhouders. Het bedrijf (in 1887 opgericht door de families Vroom en Dreesmann) hoorde tot in 2004 bij beursfonds Vendex KBB. Toen werd het overgenomen door enkele private equity firma’s, waaronder het beruchte KKR. In 2010 werd V&D doorverkocht aan investeerder Sun Europe Partners.
Het tafelzilver (het vastgoed) was door KKR cum suis al verpatst – voor 1,5 miljard euro. Zo werkt private equity nu eenmaal. De huren die de keten daarna moest betalen, zijn kennelijk niet meer op te brengen. Sneu. Was dat tafelzilver er nog maar.