Waarom Lorenzo de’ Medici niet blij is met zijn achternaam

Lorenzo de’ Medici (1951) heeft de beroemdste achternaam van Italië. Maar erg blij is hij er niet mee. Het liefst wil hij niet opvallen en discreet leven.

Dit artikel verscheen in weekblad Elsevier op 10-04-2008

Er zijn mensen die dolgraag zo’n beroemde achternaam zouden willen hebben als Lorenzo de’ Medici, maar toevallig is hij daar nou niet een van. Integendeel, hij heeft die naam en het imago van de familie lang als een last ervaren. De Medici’s hebben in Europa een belangrijke rol gespeeld. Ze kwamen op in de dertiende eeuw en vergaarden met bankieren ongelooflijke rijkdommen. Zo werden ze machtig: de Medici’s heersten in de vijftiende eeuw over de stadsstaat Florence. Ze leverden pausen en koninginnen – Catharina en Maria werden koningin van Frankrijk. Machiavelli schreef zijn boek De vorst speciaal voor Lorenzo de’ Medici, bijgenaamd Il Magnifico, de geweldige, vol met tips hoe je je als heerser staande kunt houden in een wereld vol intriges.

Deze familie had macht die verder ging dan de politiek. De Medici’s hadden een goed ontwikkeld gevoel voor kunst en wetenschap: de prachtige musea in Florence, de Uffizi en de Pitti, hangen vol met hun bezittingen. En ze wisten hun fortuin en invloed eeuwenlang vast te houden.

Verre nazaat Lorenzo de’ Medici (57) schreef een boek over zijn familie, De Medici. De geschiedenis van mijn familie . Niet dat dat nooit was gedaan, want over zijn zeer tot de verbeelding sprekende voorgeslacht zijn kasten vol geschreven. Hoe kan het ook anders, met moorden, overspelige liefdes, onmetelijke schatten in de familie. Hij schreef het niet zonder aarzeling, want als deze Medici iets wil in zijn leven, is het: niet opvallen. Op zijn visitekaartje staat dan ook alleen zijn naam, geen titel – hij is een prins – en al helemaal geen kroontje. Stel je voor zeg. ‘Mijn adres schrijf ik er zelf bij,’ zegt hij in het Amsterdamse hotel waar hij verblijft omdat zijn boek in het Nederlands is vertaald. ‘Als ik het wil geven.’ Erg nobel ziet hij er qua kleding niet uit: hij draagt een trui en een jasje, met gympen eronder.

Zijn boek begint in 1150 en eindigt met de dood van zijn ouders, want daarmee was een tijdperk van bijna duizend jaar ten einde. In zijn jeugd heeft hij nog wel iets meegemaakt van de grandeur van zijn familie, maar in zijn leven heeft hij er vaak last van gehad. Pas toen hij vijftig werd, bereikte hij het punt waarop hij dacht: die afkomst kan ik ook tot een voordeel maken.

Zijn ouders leefden wel in de twintigste eeuw, maar eigenlijk volgens de regels en gewoontes van een eeuw eerder. ‘Ze waren nog helemaal Ancien Régime,’ zegt Lorenzo. ‘Hun huwelijk was gearrangeerd en niet gelukkig. Het heeft zestien jaar geduurd voor mijn broer werd geboren, ik volgde drie jaar later. Geen idee wat mijn ouders in die tussentijd deden. Mijn moeder ging vaak naar de kerk waar we een aparte plaats hadden. Ik weet nog dat we een keer bij een tante waren en ik de kamer inliep, zaten ze daar allebei op hun knieën voor de televisie. Ik zei: “Wat doen jullie, dat is een televisie!” Maar mijn moeder antwoordde: “Het is de paus!” Later ging ze niet meer naar de kerk. Ze willen alleen maar mijn geld, zei ze. En op haar sterfbed, toen een priester binnenkwam, heeft ze hem weggestuurd. Ze werd erg reactionair op haar 85ste. Ik denk weleens dat haar ware aard toen pas naar buiten kwam.’

Geen doorsneejeugd

De’ Medici kan zich niet herinneren dat hem ooit is verteld tot welke familie hij behoorde. ‘Nee, dat wist ik van jongs af aan. Daarmee word je steeds geconfronteerd. Het ging vaak over de tradities, de geschiedenis.’

Een doorsneejeugd had hij niet. In de jaren dertig besloot zijn vader om Italië te verlaten. Hij zag niets in het opkomende fascisme en verhuisde het gezin naar Argentinië. In 1955 kwamen ze terug en gingen in Zwitserland wonen. Lorenzo moest van zijn ouders economie studeren en deed dat met enorme tegenzin. ‘We moesten voor onszelf kunnen zorgen,’ zegt hij. Thuis hingen dan wel de mooiste schilderijen en stonden de duurste antiquiteiten, Lorenzo en zijn broer Carlo moesten gewoon werken voor wat extra geld en stonden elke zaterdag op de golfbaan als caddy. Hij had dan misschien een hekel aan zijn studie economie, Lorenzo had wel het benul om zijn naam te registreren als een handelsmerk. ‘Vijfendertig jaar geleden al! Dus als iemand die naam wil gebruiken, zeg ik, nee, nee! Die heb ik gedeponeerd, die is van mij!’

Tussen zijn vijftiende en vijfentwintigste gebruikte hij zijn moeders achternaam. Hij wilde gewoon zijn. Hij woont in Barcelona, Spanje, na in diverse landen te hebben gewoond: Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland. Maar Italië? Geen denken aan. ‘Ik haat Italië,’ roept hij. ‘Wat is dat een gefrustreerd land. Ze kunnen zich maar niet neerleggen bij het feit dat de gloriejaren voorbij zijn, ze willen nog steeds iets zijn wat ze al lang niet meer zijn. En iedereen klaagt. De buschauffeurs, de leraren, je vrienden. Twintig jaar geleden betekende made in Italy nog dat je iets van klasse had. Nu worden al die dingen in Hongkong gemaakt. Maar wel op premier Silvio Berlusconi stemmen. Nou ja, dan weet je wat je krijgt.’

In Zwitserland had hij het ook niet echt naar zijn zin. ‘Die hebben daar een vreselijke mentaliteit, heel benauwd. En zo saai. Ik heb, om duidelijke redenen, lang in Monte Carlo gewoond. Wat een oord. Dat is wel der Arsch der Welt , zeg. En als je ’s avonds vanuit een andere stad Monte Carlo binnenrijdt, word je standaard aangehouden door de politie. De laatste keer zeiden ze: rijdt u maar door, meneer De’ Medici. Toen dacht ik: wegwezen, ze kennen me. Ik wil niet opvallen en discreet leven.’

Dat is precies de grote kracht geweest van alle Medici’s. Lorenzo de’ Medici legt in zijn boek duidelijk de nadruk op die familieleden die hem bijzonder interesseren. Dat zijn juist de vrouwen. Catharina (1519-1589) heeft zijn bijzondere voorkeur. Ze was koningin van Frankrijk en stak in alle opzichten torenhoog uit boven haar tijdgenoten, zowel mannen als vrouwen. Ze was geïnteresseerd in politiek, in kunst, wetenschap, in alles eigenlijk, zegt Lorenzo.

‘Alle vrouwen in mijn familie zijn indrukwekkend. En ze zijn heel belangrijk geweest. Ze hebben wat Italianen la voglia noemen, de wilskracht om verder te kijken dan de dag van vandaag. Anna Maria Louisa (1667-1743) was echt een ziener. Een ongelooflijk rijke prinses en in haar testament liet ze al haar bezittingen na aan de stad Florence. Aan haar hebben we de musea Uffizi en Pitti te danken, vol met de mooiste kunst. Buitengewoon. En wat nou zo raar is, er is geen enkele dankbetuiging in die stad te vinden. Nergens een straat naar haar genoemd, of een standbeeld. Niets. Waarom is dat? De Medici’s werden door het volk gehaat! Waarom? De familie had drie eeuwen lang alle macht in handen en ze bezat een immens fortuin. Dat konden de andere aristocraten niet uitstaan. Dus die hebben zich uitgesloofd om slechte verhalen in de wereld te brengen, en die hebben navolging gevonden. Bij Catharina de’ Medici denk je aan de 20.000 doden die ze op haar geweten zou hebben na de Bartholomeüsnacht op 23 augustus 1572. Maar ze had ook geweldige kwaliteiten. Ze was haar tijd vooruit. Daarom zien de mensen haar graag als een rotmens.’

De Medici’s hebben zich altijd ingespannen om zo nederig mogelijk te zijn, zoals het oud geld betaamt. Lorenzo il Magnifico huldigde het principe dat je zoveel macht kunt hebben als je wilt, maar bescheiden moet blijven. Laat het niet zien. ‘Hij kleedde zich ook altijd onopvallend. Niet laten zien wat je hebt. Je bent wat je bent, dat is genoeg. Ik heb bijvoorbeeld geen Rolls-Royce, of zo.’

Heldhaftig

Sinds het boek over zijn eigen familie heeft Lorenzo de smaak te pakken gekregen en schreef hij nog zeven boeken, waaronder historische romans. Een van de boeken gaat over de zestiende-eeuwse schilder Sofonisba Anguissola, een van de zeer weinige vrouwelijke schilders wier naam ons bekend is. ‘Ik schrijf alleen maar over vrouwen,’ zegt de prins opgewekt. ‘En ik ga uit van het beginsel: goed nieuws is geen nieuws. Dat is saai. Als een vrouw heldhaftig is en het opneemt tegen een machowereld, zoals deze Sofonisba heeft gedaan, dan is dat stoer en indrukwekkend. Zo iemand is een rebel.’

De boeiendste passages in het boek zijn die over de schrijver zelf en over zijn ouders, die een manier van leven voorbij hebben zien gaan. ‘Wat voorbij is, is voorbij. Ik heb geen enkele band meer met de bezittingen. Ik ben ook helemaal niet materialistisch, laatst heb ik nog een paleis in Milaan en een villa ergens anders in Italië verkocht. Die huizen waren veel te duur in het onderhoud, en veel te groot, en ik ben maar alleen. Ik zou het heel erg vinden als mijn nieuwe manuscript zou verdwijnen, maar verder ben ik nergens aan gehecht. Mijn broer en ik – we hebben een uiterst prettige non-relatie – zijn de laatsten van een lijn, met ons sterft een van de takken uit. Zo gaat het nou eenmaal.’

Gaat hij ooit zijn eigen biografie schrijven? Lorenzo kijkt verschrikt. ‘Geen sprake van! Mijn leven is veel te saai. Ik ben voor niks geboren en ik doe helemaal niks.’